Verbodstekens

A-serie: Verbodstekens

A. 1 - Invaart, uitvaart of doorvaart verboden.

Invaart, uitvaart of doorvaart verboden. Bij gebruik van dit teken voor permanente eenrichtingsverkeer bij vaste bruggen wordt het teken D.1b geplaatst aan de zijde waar doorvaart is toegestaan. Verbordsteken A.1 kan ook worden uitgevoerd door middel van twee rode vaste lichten boven elkaar. Het verbieden van de doorvaart voor een bepaalde categorie schepen geschiedt met de borden A.12 tot en met A.20 en niet door het gebruik van A.1 met onderbord. Het verbod kan ook aangegeven worden door middel van een op een boei geplaatste, horizontale rood-wit-rood gestreepte cilinder.

A. 1a – Invaart, uitvaart of doorvaart permanent verboden.

Buiten gebruik gesteld gedeelte van de vaarweg. Het vaarverbod geldt niet voor een klein schip, dat geen motorschip is. Dit bord kan niet gecombineerd worden met een onderbord.

A. 2 - Voorbijlopen verboden.

Te gebruiken in situaties, waarin voorbijlopen onmogelijk is of gevaar kan opleveren. Aanbevolen wordt om ter attendering op een verbod, zoals bedoeld in art. 6.28 lid 4 van het BPR en RPR, eveneens gebruik te maken van dit teken.

A. 3 - Voorbijlopen verboden voor samenstellen onderling.

Te gebruiken in situaties, waarin voorbijlopen van samenstellen, dat wil zeggen slepen, koppelverband of duwkonvooien van langer dan 110m of breder dan 12m, onmogelijk is of gevaar kan opleveren.

A. 4 – Ontmoeten en voorbijlopen verboden.

Te gebruiken voor een versmalling van de vaarwater waar geen gelijktijdige doorvaart uit twee richtingen mogelijk is. Het is aan te bevelen het teken te plaatsen bij een aan beide zijden openstaande sluis of brug, die is voorzien van de seingeving 2 x 2 groene lichten, wat wil zeggen dat het kunstwerk niet bediend wordt.

A. 4.1 - Ontmoeten en voorbijlopen samenstellen onderling verboden.

Te gebruiken voor een versmalling van de vaarwater waar geen gelijktijdige doorvaart uit twee richtingen mogelijk is van samenstellen langer dan 110m of breder dan 12m. Het is aan te bevelen het teken te plaatsen bij een aan beide zijden openstaande sluis of brug, die is voorzien van de seingeving 2 x 2 groene lichten, wat wil zeggen dat het kunstwerk niet bediend wordt.

A. 5 - Verboden ligplaats te nemen.

Verboden ligplaats te nemen (ankeren en afmeren). Spudpalen zijn gelijk gesteld met ankeren.

A. 5.1 - Verboden ligplaats te nemen binnen de aangegeven meters.

Verboden ligplaats te nemen (ankeren en afmeren) binnen de in meters aangegeven breedte te rekenen vanaf het bord. Dit teken is toe te passen op plaatsen in de vaarweg, waar het ligplaats nemen op een aangegeven afstand uit de oever moet gebeuren zoals bij waterinlaten van fabrieken en dergelijke.

A. 6 - Verboden te ankeren en ankers, kabels en kettingen te slepen.

Door op de oever twee borden A.6 te plaatsen, waarbij elk bord is voorzien van een richtingaanduiding, is het traject aan te geven waarvoor het verbod geldt. Het ankerverbod geldt ook voor het gebruik van spudpalen. Teken A.6 is te gebruiken om het gebied waar zich zinkers of duikers bevinden, af te bakenen. Alsdan dienen de borden of beide oevers geplaatst te worden.

A. 7 - Verboden af te meren.

Toepassing van dit teken vindt plaats in situaties, waar de doorgaande scheepvaart hinder ondervindt van gemeerd liggende schepen. Als voorbeeld is te noemen het nemen van ligplaats nabij beweegbare bruggen, anders dan voor wachten op brugpassage. Het teken kan eveneens worden gebruikt ter markering van een gereserveerde ligplaats. Op een onderbord moet in dat geval worden vermeld voor welke categorie het verbod niet geldt, bijvoorbeeld met uitzondering van politie.

A.8 - Verboden te keren.

Het teken is toe te passen op plaatsen waar keren gevaar voor de scheepvaart oplevert of ter voorkoming van schade aan de oever. Met een onderbord is als dat gewenst is een lengtebeperking aan te geven. De toepassingen van dit bord zijn gering.

A.9 - Verboden hinderlijke waterbeweging te veroorzaken.

Het teken wordt toegepast op plaatsen, waar het voor de vaarweggebruiker niet duidelijk is, dat hinder als bedoeld in art. 6.20 BPR te verwachten is bij ongewijzigde vaarsnelheid. Plaatsing vindt vooral toepassing bij werken in uitvoering zoals brugbouw, werkzaamheden aan de oevers, maar ook voor bij bunkerstations of scheepswerven gemeerde schepen. Voor deze toepassing verdient A.9 voorkeur boven B.6.

A.10 - Verboden buiten de aangegeven begrenzing te varen.

Het teken bestaat altijd uit twee borden en wordt toegepast ter markering van de breedte van het vaarwater in een brugopening. Het geeft aan welke wijdte de scheepvaart in de doorvaartopening ter beschikking staat. Het teken schrijft dwingend voor, dat niet buiten de aangegeven begrenzing mag worden gevaren. Dit teken is de tegenhanger van teken D.2 (Aanbeveling). Het teken kan worden toegepast als het onderwatergedeelte van de peilers een gevaar oplevert voor de scheepvaart of moet worden beschermd.

A.12 - Verboden voor motorschepen.

Het teken wordt gebruikt om motorschepen, dat wil zeggen schepen die met mechanische middelen worden voortbewogen, de toegang tot een vaarwater te ontzeggen.

A.13 - Verboden voor kleine schepen.

Het teken wordt gebruikt om kleine schepen de toegang tot een vaarweg te ontzeggen. Volgens het BPR art. 1.01 is een klein schip korter dan dan 20m.

A.14 - Verboden te waterskiën.

In het algemeen is waterskiën op vaarwegen verboden, (regeling Snelle Motorboten Rijkswaterwateren) zodat het teken zelden voorkomt in Nederland.

A.15 - Verboden voor zeilschepen.

Het teken vindt toepassing bij grote doorgaande vaarwegen waarop, naast de beroepsvaart veel recreatievaart plaatsvindt, bijvoorbeeld het Prinses Margrietkanaal.

A.16 - Verboden voor door spierkracht voortbewogen schepen.

Met spierkracht voortbewogen schepen zijn met name kano's, waterfietsen en roeiboten.

A.17 - Verboden voor zeilplanken.

Op de voor de doorgaande vaart bestemde gedeelten van vele vaarwegen is het varen met zeilplanken verboden BPR bijlage 16). De vaarwegen en gedeelten daarvan zijn opgenomen in het Binnenvaartpolitieregelement dan wel in de plaatselijke verordeningen. Het aangeven van het verbod door middel van bovengenoemd teken brengt een aantal praktische complicaties met zich mee. Ten eerste moet het ook gericht zijn naar de landzijde. Van daaruit gaat men immers de zeilplank gebruiken. Ten tweede moet ook de zeilplankvaarder op het water weten, dat hij een bepaald gebied niet mag binnenvaren.

A.18 - Verboden voor snelle motorboten.

Verboden voor snelle motorboten. Einde van het vaarweggedeelte waar door snelle motorboten zonder beperking van de snelheid mag worden gevaren, dat wil zeggen sneller dan 20 km/uur.

A.19 - Verboden boten te water te laten of uit het water te halen.

Dit teken maakt duidelijk, dat op deze plaats geen boten te water gelaten of uit het water gehaald mogen worden. Het bord staat eveneens aan de landzijde van de locatie.

A.20 - Verboden voor waterscooters.

Dit teken kan worden gebruikt om waterscooters te verbieden, met name daar waar het snelvaren in zijn algemeenheid is toegestaan, maar het gebruik van waterscooters niet gewenst is.

Open Whatsapp
1
Snel contact
Hallo, waarmee kunnen we je helpen?
Powered by